Ik zie minstens twee soorten. Spijt om iets wat men ooit gedaan heeft of net niet gedaan heeft – of zoals het woordenboek zegt, 'het gevoel iets verzuimd te hebben'. Daar kan men dan spijt van hebben.

Maar spijt kan ook iets betreffen waar we niets aan kunnen doen. En toch een spijt over voelen. Een voorbeeld van dat laatste is de spijt over mijn moeder. Ze is vroeg in mijn en haar leven gestorven, zonder dat ik er iets aan kon doen. En hoe langer ik zelf leef, hoe meer de spijt toeneemt dat ik haar maar zo kort heb kunnen kennen.

Ik vind die spijt helemaal niet nutteloos. Natuurlijk knaagt hij aan mij – hoe dikwijls niet heb ik me haar voorgesteld als een oudere vrouw met wie ik stil en wat zwijgzaam, alsof we vanzelf spraken, een koffie dronk. Maar de spijt helpt me ook. Hij eert haar, mist haar, probeert haar te begrijpen in de korte tijd dat we moeizaam samen waren. Zonder mijn spijt bestond ze misschien minder in mij. Dat zou ik vreselijk vinden.

Dat is wat spijt kan doen: onze vergissingen, onze wonden levendig houden. Spijt is een onmisbaar deel van het geheugen. Een geheugen zonder spijt is een vals paradijs, een revisionisme van onze eigen geschiedenis. Wie overleeft zonder spijt, maakt zichzelf iets wijs. Natuurlijk mag dat, ieder zijn illusie. Maar ik weet het wel zeker, mijn spijt heeft me ervoor verhoed te geloven in mijn onkwetsbaarheid en onfeilbaarheid. Tot op zekere hoogte brengt dat ook een troost. Dat spijt niets verandert aan de feiten, spreekt vanzelf. Maar wij, en zeker ons geheugen, bestaan uit zoveel meer dan feiten.

Spijt hoeft in die zin niet altijd pijn te doen. We hoeven er niet voortdurend van te vergaan. Hij kan ook verduidelijken en zelfs verzachten. Spijt kan zich ontfermen, zeker als hij er jaren over doet. In die jaren kan hij veranderen. Hij kan ons eerst aanvreten, als een zout, maar daarna kan hij helpen begrijpen. In die zin is zijn nut ontegensprekelijk. Ik geloof ze dus niet, al die hedendaagse spijtlozen. Ze ontwijken iets.

Ontdek ook