Springdiertjes

weet je nog toen we springdiertjes waren
hoe mooi synchroon we opveerden. hoe
de zomer in onze benen niets dan zon was

later werden er webben in onze hoofden
geweven die regen vingen, aan het leven
hingen we toen al vast

met een zijden draad. toch bleven we
bewegen alsof we niet konden breken
op de wind die klank is en stem

en nu ik hier op deze plek ben
waar de wind waait die ons brak
je adem als schaduw in het gras valt

voel ik dat we springdiertjes zijn
gebleven, en dat de dood slechts een gat is
in het leven waaruit we op kunnen veren

Shari Van Goethem

Sluimertijd

Een troostlied in dertig verzen - in opdracht van Curieus vzw

1
Als jij gevloerd wordt
leg ik me bij jou neer
tot wij gegronde redenen zijn
om recht te staan.

2
Kijken wij dan samen
hoe het licht in de dag valt

het breekt in gelijke strepen
het wijst ons aan.

3
Het licht wijst ons aan
we zijn gezien.

Ook als we vallen:
we bestaan.

4
Huid aan huid
kom ik in je adem thuis.

5
Zullen we een lijn
om ons lichaam tekenen

een vorm om aan te nemen
een ons om in te lijven

een wij om te blijven?

6
Neem mijn hand
en ik geef je mijn arm

jij bent een kolfje naar mijn hart.

7
Als jij je half voelt
mag ik je dan helen?

8
Ook als jij je half voelt
zijn wij een geheel.

9
Kijk, het licht.
Zie de dag
ook met je ogen dicht.

10
Ik durf te wedden
dat jouw stap in mijn handen past
ik geef je een zetje, zet je af

de wereld begint een voet groot.

11
En als jij hier niet kan aarden
wijs ik de verte in je aan
het vluchtpunt in je navel

er is zoveel dat op je wacht.

12
Ik verdraag je
zo ver je wil zal ik je dragen.

13
Als jij het niet meer ziet
dan zal ik je mijn uitzicht lenen

ik kan jouw donkerte niet raken
maar zie mij als je licht.

14
Mijn dromen kan ik met je delen
er is genoeg voor jou en mij

ik breng wat ver is dichterbij .

15
Als het buiten vloed is
trek ik je naar me toe
ik beloof je dat het tij zich keert

ik eb je lief.

16
Tot de tijd zich keert
en het gebroken licht zich
tegen de duisternis weert

leg ik me neer
ik wacht op jou
tot het tij zich keert.

17
Ik rouw van jou.

18
Schepen wij in
scherpe randen tegemoet
waar lucht kantelt in licht
met jou wil ik gehavend zijn.

19
Bewegen wij van inzicht naar uitzicht
en alles wat daartussen ligt.

20
Ik vang de wind voor je
zolang wij op de tocht staan
waai ik bij je aan

ooit in jou te mogen stranden.

21
Hoofd tegen hoofd
laat ik jouw gedachten kantelen
stroom maar in mij over.

22
Tot wij elkaar
van adem tot adem verstaan.

23
We meren aan
in rakende gedachten
meren wij in elkaar aan.

24
Mag ik het licht in jouw ogen
zo zacht mogelijk scherpstellen?

25
Dit gaat over
het trekt voorbij

dit gaat over

jou en mij
blijf.

26
Zullen we onze adem vertragen
tot we samenvallen
samen in de dag vallen

wij zijn sluimertijd.

27
Ik zoek je als jij je niet meer vindt.

28
Ik zoek je in uitgewoonde dagen
til je op en draag je
over drempels naar een begin

verre einders in.

29
Tot dan plots
het licht aanklopt
het strandt in onze lach

en wij verrast
dat het nog past
nemen het leven voor lief.

 

30
Nemen wij het leven lief.


Anneleen Van Offel